College goochelt met cijfers en vindt dat kinderen prima in de goot kunnen spelen – GDP stelt opnieuw reeks kritische vragen

Inmiddels heeft onze fractie al meer dan dertig schriftelijke vragen aan het college gesteld over het ontwikkelplan op de Jan ter Gouwweg. Steeds weer riep de beantwoording nieuwe vragen op, zo ook bij de laatste repliek van het college. Wij zullen daarom maar weer een nieuwe reeks vragen stellen, die zich met name toespitst op de buitenspeelruimte in de wijk. Dat is de laatste tien jaar steeds  minder geworden en met het verdwijnen van het speelveld aan de Jan ter Gouwweg blijft er bijna niets meer over.

Afgelopen jaar nog heeft de raad de Visie Buitenruimte vastgesteld. Hierin staat dat “bij de spreiding van speelgelegenheden gestreefd wordt naar de bespeelbaarheid van 3% van de gebieden die voor wonen zijn bestemd.” Dit percentage is conform de NUSO richtlijnen, waarbij het gaat om feitelijke (formele) speelruimte. Het college beweerde eerder dat de wijk Rembrandtpark ruimschoots aan deze norm voldoet en zelfs op 9% uit komt. Naar nu blijkt, bestaat slechts 0,013% uit ‘echte’ speelgelegenheden en na realisatie van bouwprojecten wordt dit 0,22%. Dus bij lange na niet de norm van 3%. Om daar toch aan te komen, telt het college daar nu onder de noemer ‘informele speelruimte’ gemakshalve alle stoepen, bermen en bossages bij op en verwijst daarbij naar eigen criteria die – nadat wij hierover kritische vragen zijn gaan stellen – inderhaast zijn opgesteld. De verhouding tussen formele en informele speelruimte komt hiermee op 0,14%-99,86%. Na realisatie van Buyten den Veste en het Jan ter Gouw project blijft dit steken op 2,3%-97,7%.

Schaamteloos wordt hiermee naar eigen blieven de norm opgerekt en gesteld dat de kinderen prima in de goot of tussen de auto’s kunnen spelen. Daarbij wordt volledig voorbij gegaan aan de eisen waar speelruimte aan moet voldoen, zoals die ook door de NUSO zijn opgesteld. Denk daarbij o.a. aan toegankelijkheid, bereikbaarheid en veiligheid.

Behalve de bedenkingen over buitenspeelruimte, zijn er ook gegronde twijfels of de monumentale bomenrij in de Jan ter Gouwweg kan blijven staan als er zo dicht bovenop gebouwd gaat worden. De ontwikkelaar voorziet daarin geen problemen, maar laat het op verzoek van de gemeente wel nog onderzoeken. Eerder stelden wij daarom de vraag of het college het bouwplan blokkeert, als blijkt dat de bomen toch niet kunnen blijven. In de beantwoording wordt daar behendig omheen gedraaid en daarom zullen wij deze vraag opnieuw stellen.

Voorts vinden wij het zeer opmerkelijk dat het college in de beantwoording beweert dat er in het verleden nooit (consequent) gecommuniceerd is dat er op het bouwvlak 24 (i.p.v. de thans geplande 36) woningen komen. Wij wijzen op de diverse elkaar opvolgende bestemmingsplannen sinds 1985, waarin in de toelichting steeds over 24 of 25 woningen werd gesproken. Ook in de Woonvisie is altijd uitgegaan van een dergelijk aantal. Wij vragen ons dan ook af of het college van mening is dat bewoners hier geen enkele verwachtingswaarde aan mogen ontlenen.

Alle door ons gestelde vragen lees je hier.

De beantwoording die hier aan ten grondslag ligt, lees je hier.

Voorbeelden van buitenspeelruimte, zoals het college dat in de normberekening meeneemt: